|

Aartspriester Sergei Ovsiannikov
Preek op de 2e zondag van de Grote Vasten, 28 februari 2010
In de naam
van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Op
deze tweede zondag van de Grote Vasten vieren wij de gedachtenis van
Gregorios van Palamas, aartsbisschop van Thessaloniki. Zijn naam is
ons bekend vooral als de beschermer van het zogenaamde Jezusgebed.
Dit gebed werd destijds op de Athos beoefend, maar door anderen werd
geprobeerd het uit te roeien en te verbieden. Vandaag zou ik echter
willen spreken over een andere, belangrijke rol die deze
aartsbisschop van Thessaloniki heeft gespeeld. Hij was niet alleen
een beschermer van het gebed. Hij was ook, wat heel belangrijk is,
een beschermer van het menselijke lichaam.
Gedurende
alle eeuwen van het christendom zijn er
stromingen en ketterijen geweest die proberen de waardigheid van het
menselijke lichaam te verminderen en te vernederen. Dankzij Plato en
zijn theorie over de ideeën werd zelfs vóór het christendom al
vaak over het lichaam gedacht als een gevangenis van de ziel. En ook
binnen het christendom is vaak de verzoeking opgekomen te proberen de
ziel van het lichaam te bevrijden. De ziel werd gezien als een
goddelijke vonk, die zichzelf slechts tijdelijk opgesloten bevond in
het menselijke lichaam voor de duur van een mensenleven. Dergelijke
stromingen en ketterijen zijn in het begin van het christendom
ontstaan en ook vandaag de dag bestaan ze nog. Dit is iets waar we
vooral in de tijd van de GroteVasten belang aan moeten hechten. We
moeten bedenken dat het doel van de GroteVasten niet is om ons
lichaam te vernederen, om afstand te doen van al die bewegingen, die
impulsen en behoeften die niet alleen de ziel, maar ook het lichaam
kent. We kennen situaties waarbij mensen hun lichaam beschouwen als
het afval van deze wereld. En het is in dit verband dat Gregorios
Palamas leerde over Gods energieën. Hij zei dat Gods essentie, Gods
wezen, voor de menselijke ratio inderdaad volledig onkenbaar is. Over
het wezen van God kan de mens niets bedenken en niets zeggen. Maar
vanuit dit goddelijke wezen treden Gods energieën naar buiten (hij
gebruikt letterlijk het woord "naar buiten treden"). En deze
goddelijke energieën bereiken zowel de menselijke ziel als het
menselijke lichaam. Ze dienen er toe dat zowel lichaam als ziel van
de mens genezen worden. Hij zegt dat het menselijke lichaam op zich
niets slechts is. Anders zou er immers geen incarnatie plaats hebben
gevonden, waarbij Hij die in wezen God is een menselijk lichaam heeft
aangenomen.
Een
andere heilige, iemand waarvan Gregorios Palamas erg hield, Simeon de
nieuwe theoloog, heeft dat als volgt omschreven: "Denkt u zich eens
in! God wordt ons familielid, onze verwante, omdat ook Hij een
menselijk lichaam aanneemt. En wij zijn Gods verwanten, omdat er in
ons een element van de Godheid aanwezig is." Ook voor de heilige
Gregorios Palamas was dit wederzijds binnendringen van de mens in God
en God in de mens erg belangrijk. Hij zei dat de zonde geen oorsprong
vindt in het menselijke lichaam, maar in de menselijke ziel. De
menselijke ziel, loopt op de gebeurtenissen vooruit en organiseert
als het ware de komende zonde van het lichaam. Terwijl het lichaam -
en zeker een lichaam dat gereinigd is - op zekere wijze een ikoon kan
zijn. Laten wij hierbij denken aan wat voor ons Orthodoxen het
allerbelangrijkste Geheimenis is, het allerbelangrijkste Mysterie.
Dat is het deelhebben aan het Lichaam van Christus. Als wij
deelhebben aan het Lichaam van Christus dan hebben wij op mystieke
wijze deel aan het kosmische, Lichaam van Christus, de Kerk. Daarom
zegt Paulus ook dat wij, broeders, ons lichaam lief moeten hebben
zoals Christus de kerk liefheeft.
Laten
we dit niet vergeten in deze dagen van de Grote Vasten
en dat er in ons geen onderscheid is tussen een goede ziel en een
slecht lichaam. Het lichaam is een tempel voor de ziel. Wij leiden
deze tempel vandaag Gods tempel binnen. Mogen wij in deze dagen vaker
de heilige Communie ontvangen. Waarbij wij de woorden herhalen van
het gebed dat klinkt voor de Communie: "Ik geloof dat dit
waarachtig Uw Lichaam is. Ik geloof ook dat dit waarachtig Uw Bloed
is. En moge mij dit dienen tot genezing van mijn ziel en van mijn
lichaam." Amen.
|
|