collage

Sluiten

Priester Hildo Bos

Preek op de 3e zondag van de Pasen: de Myrondragende vrouwen,
18 april 2010

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Christus is opgestaan! Hij is waarlijk opgestaan!

We hebben zojuist een paasgroet gehoord van drie woorden: "Christus is opgestaan!" Slechts drie woorden - maar in die drie woorden vind je de volledige rijkdom van het Evangelie, de volledige diepgang van ons geloof, van onze hoop en zelfs van onze hele theologie. Zo vaak zeggen wij tegen elkaar "Christus is opgestaan!" dat wij vergeten, dat ooit iemand deze woorden voor het eerst heeft gehoord. Er zijn mensen geweest tegen wie dit als eerste keer werd gezegd, en die mensen gedenken wij vandaag. Op deze tweede zondag na Pasen gedenken wij diegenen die het dichtste stonden bij het mysterie van de Opstanding: Jozef van Arimathea1 en Nicodemus, de laatsten die zijn lichaam in het graf legden, en vervolgens de Myrondragende vrouwen die als eersten het lege graf aantroffen, waar zijn lichaam niet meer was.

De manier waarop de Opstanding geopenbaard wordt, volgt een soort proces: er zit een volgorde in. Eerst zijn het de engelen in het graf die toezien bij het wonder van de Opstanding. Zij vertellen het aan de vrouwen, en de vrouwen vertellen het weer aan de apostelen. Sommige kerkvaders merken op dat deze volgorde dezelfde is als de volgorde van de zondeval. Als eersten waren het immers de engelen die afvielen van Gods aangezicht, nog voor de schepping van de wereld2. En als eersten zijn het de engelen die het goede nieuws aanschouwen. Vervolgens was het de vrouw die de woorden van het oordeel over zich hoorde uitspreken3. Eveneens zijn het dan ook vrouwen - de myrondraagsters - die als eersten horen over de Opstanding. Vervolgens zijn zij het, die het nieuws aan de apostelen verkondigen.

Eén aspect wekt hierbij wel verwondering Waar zijn die apostelen dan in dit verhaal? Als je verder kijkt in de tekst van het Evangelie dan zie je het: ze hebben zich bang opgesloten in een bovenkamer. Achter gesloten deuren zijn ze aan het huilen en het weeklagen4 en geloven ze diegenen niet, die komen vertellen over de Opstanding. De vrouwen komen vertellen over de opstanding - en ze geloven het niet. Vervolgens komen de Emmaüsgangers vertellen van de verschijning van Christus op de weg naar Emmaüs5 - en ze geloven het niet. Pas als de Heer zelf binnenkomt door de dichte deur (en hen aan de maaltijd aantreft6) begint tot hen door te dringen dat er iets gebeurd is. Je zou daarmee kunnen stellen dat deze gebeurtenis het bewijs is van de woorden van Christus dat de "eersten de laatsten zullen zijn en de laatsten de eersten"7.

Waar hielden de apostelen zich mee bezig tijdens hun tijd met Christus? Ze probeerden er achter te komen wie onder hen de eerste was, wie onder hen de meest eerzame plaats zou innemen aan de rechterhand van Christus8. In zekere zin kan je stellen dat wij in de kerk daar soms nog steeds mee bezig zijn. Waar waren de myrondragende vrouwen mee bezig, de vrouwen rond Christus? Zij dienden. De schoonmoeder van Petrus werd genezen en zij diende Christus9. Martha en Maria omringden Christus en zij dienden Christus10. De vrouwen bij het kruis en bij het graf waren de vrouwen die Christus hadden gevolgd en die Hem dienden11. Vandaag zien we dat de opgestane God zich niet openbaarde aan hen die Hem zo nadrukkelijk zijn gevolgd, maar aan diegenen die Hem in stilte en zo nederig hebben gediend.

Laat daarom de dag van vandaag een dag zijn waarin wij ons allen herinneren - voor allen ik zelf, vooral wij geestelijken, maar ook alle vaders, alle mannen - in hoeverre de prediking die wij uitdragen een prediking is die wij ontvangen hebben uit de mond van de dienende vrouwen, van diegenen die aan de apostelen het goede nieuws hebben gebracht, diegenen op wie ook vandaag onze kerk in grote mate rust. En omdat zij ons het goede nieuws hebben verteld, omdat zij zoals de dienst van vandaag zegt "Aan de verkondigers het nieuws hebben verkondigd12" kunnen ook wij zeggen: "Christus is opgestaan!" Amen.

1 Mt. 27:57; Joh. 19:38-39

2 Volgens de exegese (schriftuitleg) van de kerkvaders verwijzen verschillende Bijbelteksten naar de "eerste zondeval", de val van de vorst der engelen die het licht voor Gods aangezicht droeg (Gr. Eosphoros, Lat. Lucifer). Zie met name Jes. 14:12-13 en Ez. 28:11-17, maar ook Luk. 10:18 en Op. 12:3-4, een verwijzing naar de engelen die hem volgden in zijn val. In de Orthodoxe traditie wordt Johannes de Doper de "nieuwe lichtdrager" genoemd - als plaatsvervanger van de gevallen engel, op ikonen ook afgebeeld met vleugels.

3 Gen. 3:16

4 Mk. 16:10-11

5 Lk. 24:31-31; Mk. 16:12

6 Joh. 20:19

7 Mt. 19:30, 10:31

8 Lk. 22:24; Mk. 10:37

9 Mt. 8:14

10 Lk. 10:40, Joh. 12:1

11 Mt. 27:55

12 Metten van de Myrondragende vrouwen, evangelie-stichire toon 2.