|

Priester Hildo Bos
Preek op de 1e zondag van de Grote Vasten. Zondag van de Orthodoxie
4 maart 2012
(Apostel:
Hebreeën 11: 24-26, 32 -12:2,
Evangelie:
Johannes 1: 43-51)
In
de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
De
eerste week van de Grote Vasten is ten einde gekomen; de eerste week
die wij in onze Traditie de "reine week" noemen. En met het eind
van die week komt het eerste feest van de Vasten, het feest van de
Triomf van de Orthodoxie.
Zou je echter niet kunnen stellen dat deze "Triomf van de
Orthodoxie" in werkelijkheid al is aangebroken met het allereerste
begin van de Vasten - met Vergevingszondag,
met het èchte vasten - het vasten dat wij in onze buik voelen met
een zacht gevoel van honger - met ons versterkt gebed (vóór alles
het gebed van de heilige Efraïm de Syriër), met de diensten, die
prachtige, diepe en mooie diensten van de eerste week van de Grote
Vasten? Elke avond hadden wij een volle kerk. Velen die niet konden
komen, hebben die week thuis de Boetecanon gebeden.Waarom zou je dat
geen Triomf van de Orthodoxie kunnen noemen?
Het
was in de eerste plaats een triomf van de Orthodoxie.
Waar vind je een zo uitgebalanceerd beeld van de mens, van zijn
toestand, maar ook van zijn hoop? Sommigen zeggen dat het voldoende
is om Christus te erkennen als Heer en Verlosser om gered te zijn.
Aan de andere kant zeggen anderen dat onze zondige staat zó diep en
zó slecht en zó gevallen is, dat er geen enkele verlossing voor de
mens mogelijk is, dat het uitsluitend interventie van buitenaf, Gods
goede (of kwade) wil, is die bepaalt of wij al dan niet verlost
worden.
In
de diensten van de eerste week vonden wij een perfect evenwicht
tussen beide standpunten. Wij erkenden onze ziekte en onze zonde. We
hoorden in de Boetecanon van Andreas van Kreta talloze voorbeelden
van zonden uit het Oude en het Nieuwe Testament. We hoorden over
overspel, over ontucht, over moorden, over geloofsafval - en wat
zeiden we daarbij? Zeiden we: Kijk eens hoeveel beter wij zijn dan al
die zondaars? Nee, we zeiden, samen met een groot asceet en een groot
heilige als Andreas van Kreta: Heer,
ik ook! Ik ook: ook
ik heb gezondigd zoals deze en zoals deze. En als het niet met daden
is gebeurd, dan is het in gedachten gebeurd. Heeft de Heer ons niet
gezegd, dat als wij met verlangen, met begeerte naar een vrouw
kijken, wij in ons hart al met haar gezondigd hebben?
Als de zonde in ons niet actief aanwezig is, maakt hij in ieder geval
deel uit van onze natuur, van ons hart. De Heer heeft gezegd dat ons
niet datgene onrein maakt wat van buiten naar binnen komt, maar
datgene wat onrein is en opborrelt vanuit ons hart: boze
overleggingen, moord, echtbreuk, hoererij, diefstal, leugenachtige
getuigenissen en godslasteringen.
Alle kwade daden zijn potentieel in ons aanwezig. En toch verliezen
wij daarbij de hoop niet, omdat wij weten dat wij in die ziekte een
groot Geneesheer hebben, Christus. Dat wij een ziekenhuis hebben
waarin wij genezing vinden: de Kerk.
In
één van de gezangen van de eerste week, op woensdag, horen wij het
volgende: "Heer, Gij kent ons, Gij weet hoe wij gemaakt zijn. Gij
kent ook onze zwakte, onze onmacht. Tegen U hebben wij gezondigd,
maar wij zijn niet van Uw zijde geweken. Wij hebben onze handen niet
opgeheven naar een andere god."
En daarin ligt het geheim.
Het
is deze dagen een Triomf
geweest van de
Orthodoxie, omdat de erkenning van onze zonde en de boete geen
zelfvernedering is, maar een triomf, een zelfoverwinning, een feest
waarover de Engelen zich verheugen in de Hemel.
Boete en berouw maken ons mooier. Ze maken ons heel. Ze genezen ons.
Ze leiden ons terug naar de oorspronkelijke schoonheid die God in ons
heeft gelegd. Boete, vasten - vasten door het eten, en vasten in de
geest - brengen ons weer terug naar de schoonheid, maken ons
gelijkend op ons oerbeeld, net zoals de heiligen op de ikonen van wie
wij vandaag de verering herdenken.
Amen.

|
|